Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:
„Voel, hoe koud ik ben.”
„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”
De moeder riep heftig:
„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”
„Zwijg!” zei de man.
De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.
Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.
De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:
„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”
„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”
En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:
„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”
„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.
„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijk [193]dat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier…”
Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:
„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”
Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.
Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.
„Zij was ’t!”
Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord zij ligt.
Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.
Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.
Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.
Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.
Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.
Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.
De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.
















