Maandag, 20/04/2026 - 07:20

Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.

Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.

Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.

Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.

Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.

Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.

Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, spreken en hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?

Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield, – want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende, – zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.

Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan. – Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.

 

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *