Maandag, 20/04/2026 - 12:43

In de eerste helft van April ging Jean Valjean op reis. Men weet, dat hij dit van tijd tot tijd, met zeer lange tusschenpoozen, deed. Hij was dan ten hoogste twee of drie dagen afwezig. Waarheen hij ging wist niemand, zelfs Cosette niet. Slechts eens had zij hem bij zijn vertrek in een huurrijtuig tot aan den hoek van een blinde steeg begeleid, op welken hoek zij gelezen had „Slop Planchette”. Daar was hij uitgestegen en de huurkoets had Cosette naar de Babelstraat teruggevoerd. ’t Was gewoonlijk, wanneer in de huishouding geld ontbrak dat Jean Valjean deze korte reizen deed.

Jean Valjean was dus afwezig. Hij had gezegd: „Binnen drie dagen zal ik terug zijn.”

Des avonds was Cosette alleen in het salon. Om zich niet te vervelen had zij zich aan haar piano gezet en met begeleiding hiervan het koor gezongen van Euryanthe Chasseurs, égarés dans les bois! (Jagers, in het bosch verdoold!), misschien het schoonste wat in de muziek bestaat. Toen zij uitscheidde, bleef zij in gedachten verdiept.

Eensklaps meende zij voetstappen in den tuin te hooren.

’t Kon haar vader niet zijn, want hij was afwezig; ook niet vrouw Toussaint; deze was te bed. ’t Was tien uren ’s avonds.

Zij ging naar het vensterluik, dat gesloten was, en hield er haar oor tegen.

’t Kwam haar voor, dat het de tred van een man was, die zeer zacht ging.

IJlings ging zij naar boven, naar haar kamer, opende een kijkgaatje in het vensterluik en zag in den tuin. ’t Was volle maan. Men zag even duidelijk als op den dag.

Er was niemand.

Zij opende het venster. In den tuin was het volkomen stil, en wat men van de straat kon zien was even eenzaam als altijd.

Cosette meende zich vergist te hebben. Zij had zich verbeeld gerucht te hooren. ’t Was een zinsbegoocheling, veroorzaakt door het somber, wonderbaar koor van Weber, dat voor den geest duizelingwekkende diepten ontsluit, dat voor den blik siddert als een huiverend woud, en waarin men onder den schuwen voetstap der jagers, die men in de avondschemering ziet, de dorre takken hoort kraken.

Zij dacht er niet meer aan.

Cosette, trouwens, was van aard niet vreesachtig. In haar aderen was iets van het bloed der heidin en der avonturierster die blootsvoets gaat. Men herinnere zich, dat zij meer leeuwerik dan duif was. In den grond was zij moedig en stout.

Den volgenden dag wandelde zij, niet zoo laat, tegen het vallen van den avond, in den tuin. Bij de verwarde gedachten, die haar bezig hielden, meende zij nu en dan wel een gerucht te hooren als dat van den vorigen avond, als van iemand, die in de duisternis, niet ver van haar, onder het geboomte ging, maar zij zeide bij zich zelve, dat niets beter gelijkt naar voetstappen in het gras, dan de schuring van twee takken die zich vanzelf bewegen, en zij lette er niet verder op. Overigens zag zij niets.

Zij verliet het bosschage, en moest een klein grasperk overgaan om de stoep te bereiken. De maan, die achter haar was opgestegen, wierp, toen Cosette uit het boschje kwam, op dat grasperk haar schaduw voor haar uit.

Cosette stond verschrikt stil.

Naast de hare, teekende de maan duidelijk op het gras een andere zonderlinge, schrikbarende en vreeselijke schaduw, een schaduw met een ronden hoed.

’t Was als de schaduw van een man, die aan den kant van het bosschage eenige schreden achter Cosette stond.

Een oogenblik kon zij noch spreken, noch schreeuwen, noch roepen, noch zich verroeren, noch het hoofd wenden.

Eindelijk verzamelde zij al haar moed en keerde stoutmoedig om.

Er was niemand.

Zij zag naar den grond. De schaduw was verdwenen.

Zij trad weder in het bosschage, doorsnuffelde onversaagd alle hoeken, ging tot aan het hek en vond niets.

Zij voelde een ijzige huivering. Was ’t nogmaals een zinsbegoocheling? Hoe? twee dagen achtereen. Één zinsbegoocheling, goed; maar twee zinsbegoochelingen? ’t Was meest verontrustend dat de schaduw zekerlijk geen spook was; spoken dragen gewoonlijk geen ronde hoeden.

Den volgenden dag kwam Jean Valjean terug. Cosette verhaalde hem wat zij meende gehoord en gezien te hebben. Zij had verwacht gerustgesteld te zullen worden, en dat haar vader de schouders zou ophalen en zeggen: „Ge zijt een kleine zottin!”

Maar Jean Valjean werd bekommerd.

„’t Is misschien niets!” zeide hij.

Onder een voorwendsel verliet hij haar en ging naar den tuin, en zij merkte toen op, dat hij zeer nauwkeurig het hek onderzocht.

Des nachts werd zij wakker; ditmaal was zij er zeker van; duidelijk hoorde zij dicht bij de stoep onder haar raam voetstappen. Zij ijlde naar het raam en opende het luikje in het blind. Er was inderdaad iemand in den tuin, met een dikken stok in de hand. Juist toen zij wilde schreeuwen, bescheen de maan het gezicht van den man. ’t Was haar vader.

Zij legde zich weder te bed en zeide: „Hij is dus wel zeer ongerust!”

Jean Valjean bezocht dien nacht en de twee volgende nachten den tuin. Cosette zag hem door de opening van het luik.

Den derden nacht nam de maan af en ging later op. Het kon één uur na middernacht zijn geweest, toen zij een luiden lach hoorde en de stem van haar vader, die haar riep:

„Cosette!”

Zij sprong uit het bed, schoot een kamerjapon aan en opende het venster.

Haar vader stond beneden op het grasperk.

„Ik wek u om u gerust te stellen,” zeide hij. „Ziedaar de schaduw met den ronden hoed, die ge gezien hebt.”

En hij toonde haar op het grasperk een schaduw, door de maan geteekend, en die tamelijk goed de gestalte geleek van een man met een ronden hoed. ’t Was de slagschaduw van een ijzeren schoorsteenpijp met een kap, die zich op een naburig dak verhief.

Cosette lachte hartelijk; al haar angstige vermoedens verdwenen, en toen zij den volgenden dag met haar vader aan het ontbijt zat, schertste zij over den spookachtigen tuin, die door schaduwen van kachelpijpen onveilig werd gemaakt.

Jean Valjean werd weder volkomen gerust; wat Cosette betreft, deze dacht er weinig over na, of de kachelpijp wel juist in de richting der schaduw was, welke zij gezien had of meende gezien te hebben, en of de maan toen wel op dezelfde plaats aan den hemel stond. Zij verwonderde zich niet over het zonderlinge van een kachelpijp, die vreest op heeter daad betrapt te worden en verdwijnt wanneer men haar schaduw opmerkt; immers de schaduw was verdwenen, toen Cosette was omgekeerd, en Cosette had gemeend hier wel zeker van te zijn. Cosette stelde zich volkomen gerust. De verklaring scheen haar duidelijk, en dat er iemand kon zijn, die des avonds of des nachts in den tuin kwam, hieraan dacht zij niet meer.

Eenige dagen later echter deed zich een nieuw geval voor.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *