Maandag, 20/04/2026 - 12:47

Toen het avond was ging Jean Valjean uit; Cosette kleedde zich. Zij bracht haar kapsel in orde op de wijze, die haar het best stond, en trok een kleed aan, dat van boven ruim uitgesneden was, waardoor de hals tamelijk ver uitkwam, min of meer „indécent zooals jonge meisjes zouden zeggen. ’t Was echter volstrekt niet indécent, maar veeleer bevalliger dan anders. Zij kleedde zich zoo, zonder te weten waarom.

Wilde zij uitgaan? neen.

Verwachtte zij bezoek? neen.

Bij de avondschemering ging zij naar den tuin. Vrouw Toussaint was in de keuken bezig, die op de achterplaats uitzag.

Cosette ging onder de takken, die ze nu en dan met de hand ter zijde boog, wijl sommige zeer laag hingen.

Aldus kwam zij aan de bank.

De steen was er gebleven.

Zij ging zitten en legde haar zachte, witte hand op dien steen, als wilde zij hem streelen en bedanken.

Eensklaps had zij dien onbeschrijfelijken indruk, welken men gevoelt, zelfs zonder te zien, wanneer iemand achter ons staat.

Zij wendde het hoofd en richtte zich op.

Hij was het.

Hij was blootshoofds. Hij scheen bleek en mager te zijn geworden. Men kon nauwelijks zijn zwarte kleeding zien. De schemeravond verbleekte zijn fraai hoofd en bedekte zijn oogen met duisternis. Hij had, onder den sluier van onvergelijkbare zachtheid, iets van den dood en van den nacht. Zijn gezicht was verlicht door het schijnsel van den stervenden dag en door de gedachte eener ziel, die heengaat.

Hij scheen nog wel geen schim, maar toch ook geen mensch meer te zijn.

Zijn hoed was op eenigen afstand in de struiken geworpen.

Cosette op ’t punt van in onmacht te vallen, slaakte geen kreet. Zij deinsde langzaam achteruit, want zij voelde zich aangetrokken. Hij bewoog zich niet. Aan iets onbeschrijfelijks en treurigs, dat haar omhulde, voelde zij den blik zijner oogen, dien zij niet zag.

Achteruit wijkende, ontmoette Cosette een boom, waartegen zij leunde. Zonder dien boom zou zij gevallen zijn.

Toen hoorde zij zijn stem, die stem, welke zij nooit recht had gehoord en die zich nauwelijks boven het bladerengeritsel verhief, lispelen:

„Vergeving, ik ben het. Mijn hart is overkropt; ik kon niet langer zoo leven, daarom ben ik gekomen. Hebt gij gelezen wat ik daar op die bank gelegd had? Hebt ge geen flauwe herinnering aan mij? Heb geen vrees. ’t Is reeds lang geleden; herinnert gij u den dag, toen ge mij gezien hebt? ’t Was in den tuin van het Luxembourg, dicht bij den Gladiator. En den dag toen ge mij voorbijgingt? ’t Was de 16e Juni en de 2e Juli. ’t Zal spoedig een jaar zijn. Sinds lang heb ik u niet weer gezien. Ik heb aan de stoelenzetster naar u gevraagd, maar deze zeide, dat zij u niet meer zag. Ge woondet in de Westerstraat, op de derde verdieping aan de straat, in een nieuw huis; ge ziet, dat ik het weet. Ik volgde u. Wat zou ik doen? En toen zijt gij verdwenen. Eens meende ik u te zien voorbijgaan, toen ik onder de bogen van het Odéon de nieuwspapieren las. Ik volgde u. Maar neen. ’t Was een dame die een hoed droeg als de uwe. Des nachts kom ik hier. Vrees niet, niemand ziet mij. Ik aanschouw van dichtbij uwe vensters. Ik ga zeer zacht, opdat ge mij niet zoudt hooren, want ge zoudt misschien beangst zijn. Op zekeren avond was ik achter u, gij keerdet om en ik vluchtte. Eens heb ik u hooren zingen. Ik was gelukkig. Het hindert u immers niet, dat ik u door de blinden hoor zingen? Dat kan u niet schelen, niet waar? Zie, gij zijt mijn engel; vergun mij even hier te komen; ik geloof, dat ik spoedig zal sterven. Zoo ge wist hoe ik u bemin! Vergeef mij, ik spreek met u en weet niet wat ik zeg; ik maak u misschien boos; zijt ge boos op mij?”

„O mijn moeder!” zeide zij.

En zij zonk ineen, alsof zij zou sterven.

Hij vatte haar; zij viel, hij nam haar in zijn armen, omklemde haar vast, zonder te weten wat hij deed. Zelf wankelend, ondersteunde hij haar. ’t Was hem, alsof zijn hoofd vol damp was, bliksems schoten door zijn oogen; zijn gedachten verwarden; hij meende iets godsdienstigs te verrichten en toch een ontheiliging te plegen. Overigens voelde hij geen de minste onedele begeerte jegens deze bekoorlijke vrouw, wier vormen hij aan zijn borst voelde. Hij was dronken van liefde.

Zij nam een zijner handen en legde ze aan haar hart. Hij voelde er het papier en stamelde:

„Gij bemint mij dus?”

Zij antwoordde met zulk een zachte stem, dat ze slechts een adem was, die men nauwelijks hoorde:

„Zwijg! gij weet het!”

En zij verborg haar gloeiend hoofd aan de borst van den hooghartigen en verbijsterden jongeling.

Hij zonk op een bank neer, zij naast hem. Zij hadden geen woorden meer. De starren begonnen te schijnen. Hoe kwam het, dat hun lippen elkander ontmoetten? Hoe komt het, dat de vogel zingt, dat de sneeuw smelt, dat de roos zich opent, dat Mei ontluikt, dat de morgenstond de donkere boomen op den ruischenden top der heuvelen verlicht?

Een kus, dit was alles.

Beiden sidderden, en zij aanschouwden elkander in de schaduw met vlammende oogen.

Zij voelden noch den koelen nacht, noch den kouden steen, noch de vochtige aarde, noch het natte gras; zij aanschouwden elkander, en hun harten waren vol gedachten. Zonder bewustzijn hadden zij elkanders hand gevat.

Zij vroeg hem niet—zij dacht er zelfs niet aan—hoe hij binnengekomen en in den tuin gedrongen was. ’t Kwam haar zoo natuurlijk voor dat hij er was.

Nu en dan raakte Marius’ knie de knie van Cosette aan, en beiden beefden.

Bij tusschenpoozen stamelde Cosette een woord. Haar ziel beefde op haar lippen, als een dauwdrop op een bloem.

Allengs spraken zij met elkander. De ontboezeming volgde op de stilte, die de opgekroptheid is. De nacht was helder en prachtig boven hun hoofden. Deze twee wezens, zoo rein als engelen, zeiden elkander alles, hun droomen, hun zaligheden, hun verrukkingen, hun hersenschimmen, hun twijfelingen; hoe zij elkander in de verte bemind hadden, hoe zij elkander gewenscht hadden; hun wanhoop, toen zij elkander niet meer zagen.

Zij spraken met elkander in de volkomenste vertrouwelijkheid, welke door niets kon vermeerderd worden, van het verborgenste en het geheimzinnigste dat in hen was. Met een eerlijk geloof in hun illusiën, verhaalden zij elkander al wat de liefde, de jeugd en het overschot van kinderlijkheid, dat zij nog bezaten, hun in de gedachten gaf.

Beider harten stortten zich in elkander uit, zoodat binnen een uur de jongeling het hart van het meisje, het meisje het hart van den jongeling bezat. Zij deelden elkander hun gedachten mede, bekoorden, betooverden elkander.

Toen zij eindigden, toen zij elkander alles hadden gezegd, liet zij haar hoofd op zijn schouder rusten en vroeg hem:

„Hoe heet gij?”

„Ik heet Marius,” zeide hij. „En gij?”

„Ik heet Cosette.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *