Maandag, 20/04/2026 - 12:44

Dicht bij het hek aan de straat stond in den tuin een steenen bank, die voor het oog der nieuwsgierigen achter struikgewas verborgen was, doch welke desnoods de arm van een voorbijganger door het hek en het struikgewas heen had kunnen bereiken. Op een avond derzelfde maand April was Jean Valjean uitgegaan; Cosette had zich, toen de zon was ondergegaan, op deze bank neergezet. De wind ruischte door het geboomte. Cosette mijmerde; een droefgeestigheid, zonder bepaalde oorzaak, had haar allengs bevangen, die onverwinbare droefgeestigheid, welke de avond veroorzaakt, en welke, wie weet? misschien uit de verborgenheid van het op dat uur geopende graf komt.

Misschien was Fantine in deze schaduw.

Cosette stond op, wandelde langzaam door den tuin, over het met dauw bevochtigd gras, en zeide in de soort van treurig somnambulisme, waarin ze gedompeld was:

„Wanneer men op dezen tijd in den tuin wandelt, heeft men waarlijk wel klompen noodig. Men wordt er verkouden.”

Zij keerde naar de bank terug.

Toen zij wilde gaan zitten, zag zij op de plaats, welke zij verlaten had, een tamelijk grooten steen, die er stellig het oogenblik te voren niet geweest was.

Cosette beschouwde dien steen en vroeg bij zich zelve, wat hij beteekenen moest.

Eensklaps rees bij haar de gedachte op, dat deze steen niet vanzelf op de bank was gekomen, dat iemand er hem had neergelegd, dat een arm door het hek was gestoken; deze gedachte beangstigde haar. Ditmaal was het wezenlijke angst; want de steen was er. Twijfel was niet mogelijk. Zij raakte den steen niet aan, vluchtte zonder om te zien, vlood het huis in en sloot dadelijk de glazen deur aan de stoep met luik, grendel en keten. Toen vroeg zij aan vrouw Toussaint:

„Is mijn vader te huis gekomen?”

„Nog niet, mejuffrouw.”

(Wij hebben reeds gezegd, dat vrouw Toussaint stotterde. Men veroorlove ons er niet op terug te komen. Het stuit ons de wanklanken van een menschelijk spraakgebrek terug te geven).

Jean Valjean, een denker en nachtelijk wandelaar, kwam vaak ’s avonds zeer laat te huis.[119]

„Vrouw Toussaint,” hernam Cosette, „gij zorgt er immers wel voor, des avonds de vensters aan de tuinzijde zorgvuldig te sluiten en er behoorlijk de grendels en knippen voor te schuiven?”

„O, wees gerust, mejuffrouw!”

Vrouw Toussaint verzuimde dit niet, en Cosette wist het, evenwel kon zij ’t niet laten er bij te voegen:

„Want het is hier in den omtrek zeer eenzaam.”

„Inderdaad,” zei vrouw Toussaint, „’t is waar. Men zou vermoord zijn, zonder hulp te hebben kunnen roepen! Daar komt bij, dat mijnheer niet in het huis slaapt. Maar vrees niet, mejuffrouw, ik sluit de vensters als een vesting. Vrouwen alleen! ik geloof wel, dat men dan een weinig angstig mag zijn! Stel u eens voor, ’s nachts mannen in uw kamer te zien komen, die tot u zeggen: „Zwijg,” en u den hals afsnijden. ’t Is niet om het sterven, men sterft, en daarmee afgedaan, men weet dat men sterven moet, maar ’t is een gruwel zich door zulke lieden aangeraakt te voelen. En dan hun messen; ach God! zij moeten wel slecht snijden!”

„Zwijg,” zei Cosette. „Sluit alles goed.”

Cosette, verschrikt door het tooneel, ’t welk vrouw Toussaint haar voorstelde en misschien ook door de herinnering aan de verschijningen der vorige week, durfde zelfs niet zeggen: „Ga den steen eens zien, dien men op de bank heeft gelegd,” uit vrees van de tuindeur te openen, en de mannen te zien binnenkomen. Zij liet overal zorgvuldig de deuren en vensters sluiten, het huis, van den kelder tot den zolder, door vrouw Toussaint onderzoeken, sloot zich op in haar kamer, grendelde haar deur, keek onder het bed, legde zich ter rust, maar sliep slecht. Den ganschen nacht zag zij den steen, zoo groot als een berg en vol akelige holen.

Bij zonsopgang—het eigenaardige der opkomende zon is, dat zij ons over al onze angsten van den nacht doet lachen, en dit lachen is steeds in evenredigheid van de vrees, welke men gehad heeft—bij zonsopgang dus beschouwde Cosette, toen zij ontwaakte, haar angst als een benauwden droom, en zeide bij zich zelve: „Hoe kon ik toch zoo beangst zijn? ’t Is eveneens als met de voetstappen, welke ik verleden week des nachts in den tuin meende te hooren! eveneens als met de schaduw van de kachelpijp! Zou ik nu lafhartig worden?” De zon, die door de reten der vensterluiken haar stralen schoot en de gordijnen rosé kleurde, stelde haar zoozeer gerust, dat alles, zelfs de steen, uit haar gedachte verdween.

„Er was zeker evenmin een steen op de bank, als een man met een ronden hoed in den tuin; ik heb van den steen gedroomd, zoowel als van het overige.”[120]

Zij kleedde zich, ging naar den tuin, liep naar de bank, en voelde het klamme zweet. De steen lag er.

Maar ’t was slechts voor een oogenblik. Wat des nachts vrees is, is des daags nieuwsgierigheid.

„Welaan,” zeide zij, „laat ons zien.”

Zij nam den tamelijk grooten steen op. Daar onder lag iets dat een brief geleek.

’t Was een omslag van wit papier. Cosette nam hem; er was geen adres aan de eene, noch cachet aan de andere zijde. De omslag, hoewel open, was echter niet ledig. Men zag er papieren in.

Cosette tastte er in. ’t Was nu geen vrees, geen nieuwsgierigheid meer, maar een begin van angst.

Cosette nam uit den omslag, wat er in lag, een klein katern papier, waarvan iedere bladzijde genommerd was, en beschreven met eenige regels fraai—zoo vond Cosette—fijn schrift.

Cosette zocht een naam,—zij vond er geen; een handteekening, ook deze niet. Aan wie was dit gericht? Waarschijnlijk aan haar, wijl een hand het pakje op haar bank had gelegd. Van wien kwam het? Een onweerstaanbare begoocheling overweldigde haar. Zij poogde haar oogen van deze bladen, die in haar hand beefden af te wenden, zij zag naar den hemel, naar de straat, naar de door de zon verlichte acacia’s, naar de boven een naburig dak vliegende duiven; maar haar blik viel telkens weder op het geschrift, en zij zeide bij zich zelve, dat zij moest weten, wat het bevatte.

Zij las het volgende:

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *