Maandag, 20/04/2026 - 12:45

De smart van Cosette, vier of vijf maanden geleden zoo grievend en levendig, begon, zelfs zonder dat zij het wist, te verzachten. De natuur, de lente, de jeugd, de liefde voor haar vader, de vroolijkheid der vogels en bloemen, dit alles deed allengs, dag aan dag, druppel voor druppel, in de zoo maagdelijke, jeugdige ziel iets zijpelen, dat veel van vergetelheid had. Werd er het vuur geheel in uitgedoofd? bleef er enkel asch over? Genoeg is het, dat zij schier geen smart of gloed meer gevoelde.

Op zekeren dag dacht zij eensklaps aan Marius. Zie, zeide zij, ik denk niet meer aan hem! In dezelfde week zag zij voorbij het tuinhek een zeer fraaien officier der lansiers gaan, met een wespenlijf, schitterende uniform, meisjeswangen, een sabel onder den arm, glimmenden knevel, geverniste chapska. Hij had overigens blond haar, blauwe, uitkomende oogen, een rond, ijdel, onbeschaamd en mooi gezicht; in alles het tegendeel van Marius. Hij rookte een sigaar. – Cosette meende, dat deze officier zekerlijk tot het regiment behoorde, dat in de kazerne der Babelstraat lag.

Den volgenden dag zag zij hem weder voorbijgaan. Zij merkte het uur op.

Van dien tijd af – was het toeval? – zag zij hem schier iederen dag voorbijgaan.

De kameraden van den officier bespeurden, dat in dien slecht onderhouden tuin, achter dat leelijke rococo-hek, een zeer mooi meisje was, dat er zich schier altijd bevond, wanneer de fraaie luitenant voorbijging, die den lezer niet onbekend is en Theodule Gillenormand heette.

„Zie,” zeiden zij tot hem. „Dat meisje slaat een oog op u! Kijk toch.”

„Heb ik den tijd, op al de meisjes acht te geven, die het oog op mij slaan?” antwoordde de lansier.

’t Was in denzelfden tijd, dat Marius ernstig aan den dood dacht, en zeide: Zoo ik haar slechts kon wederzien vóór te sterven! Zoo zijn wensch verwezenlijkt ware geworden, zoo hij gezien had dat Cosette haar blik op een lansier sloeg, zou hij geen woord hebben kunnen spreken en van smart gestorven zijn.

Wie droeg de schuld er van? Niemand.

Marius behoorde tot die karakters, welke zich in het verdriet verdiepen en er in blijven; Cosette behoorde tot degenen, die er zich in dompelen, maar er uitkomen.

Overigens was Cosette in dat gevaarlijk tijdperk der aan zich zelve overgelaten vrouwelijke droomerijen, wanneer het hart van een jong meisje op de ranken van den wijngaard gelijkt, welke zich, naar het valt aan het kapiteel van een marmeren kolom of aan den deurpost van een kroeg hechten. ’t Is een snel, beslissend oogenblik, gevaarlijk voor een weeze, zij moge arm of rijk zijn, want rijkdom belet geen slechte keus; men sluit ongelukkige huwelijken in de hoogste kringen; de ongelukkigste vereeniging is die van niet voor elkaar geschikte zielen. Evenals meer dan één onbekend jonkman, zonder naam, zonder geboorte, zonder fortuin, een marmeren kapiteel kan zijn, dat een tempel van verhevene gevoelens en grootsche denkbeelden kan schragen, evenzoo kan een man van de wereld, rijk en met zich zelven tevreden, die glimmende laarzen en gladde woorden heeft, zoo men hem niet uitwendig, maar inwendig beschouwt, dat wil zeggen hetgeen voor de vrouw bestemd is, niets meer dan een gemeene paal kan zijn, een voorwerp van de dierlijkste, geweldigste hartstochten, de deurpost van een kroeg.

Wat was in Cosettes ziel? Een tot rust gebrachte of ingeslapen hartstocht, de liefde in vluchtigen toestand; iets dat helder, glinsterend is, op zekere diepte troebel, lager somber.

Dit beeld van den fraaien officier spiegelde zich af op de oppervlakte. Was op den bodem – diep op den bodem – een herinnering? – Misschien. Cosette wist het niet.

Er had iets zonderlings plaats.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *