Maandag, 20/04/2026 - 12:45

De liefde is de samentrekking der wereld in een eenig wezen; de uitzetting van een eenig wezen tot God.

De liefde is de engelengroet aan de starren.

Hoe treurig is de ziel als zij treurig door de liefde is!

Welk een ledigheid is de afwezigheid van het wezen, dat alleen de wereld vervult. O, hoe waar is het, dat het beminde wezen God wordt. Men zou kunnen meenen, dat God ijverzuchtig op haar zou zijn, zoo de Vader van alles niet blijkbaar de schepping voor de ziel, en de ziel voor de liefde had bestemd.

Een glimlach, die men in de verte onder een wit krippen hoed met lilabanden heeft gezien, is voldoende om de ziel het paleis der droomen binnen te voeren.

God is achter alles, maar alles verbergt God. De voorwerpen zijn zwart, de schepselen ondoorschijnend. Wanneer men een wezen bemint, maakt men het doorschijnend.

Sommige gedachten zijn gebeden. Er zijn oogenblikken, dat de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij.

De gelieven, die gescheiden zijn, vervullen de afwezigheid door duizend hersenschimmen, die toch haar werkelijkheid hebben. Men belet hen elkander te zien, zij kunnen elkander niet schrijven; maar zij vinden een menigte geheime middelen om met elkander in aanraking te zijn. Zij zenden elkander den zang der vogelen, den geur der bloemen, het gelach der kinderen, het licht der zon, de zuchten van den wind, de stralen der sterren, de geheele schepping. Waarom ook niet? Alle werken Gods zijn bestemd om de liefde te dienen. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met haar boodschappen te belasten.

O lente, ge zijt een brief, dien ik haar schrijf.

De toekomst behoort veel meer aan het hart dan aan den geest. Beminnen is het eenige, dat de eeuwigheid kan bezig houden en vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke.

De liefde is een gedeelte der ziel zelve. Zij is van dezelfde natuur. Evenals de ziel, is zij een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. Zij is een onsterfelijke, oneindige vuursprank in ons, die niets kan beperken, niets kan uitdooven. Men voelt haar tot in ’t merg van ’t gebeente branden, men ziet haar diep in den hemel stralen.

O liefde! aanbidding! wellust van twee zielen, die elkander begrijpen, van twee harten die zich tegen elkander uitwisselen, van twee blikken die elkander doordringen! Gij zult tot mij komen, geluk! niet waar? Wandelingen onder vier oogen in de eenzaamheid! zalige, schitterende dagen! Soms droomde ik, dat nu en dan zich uren van het leven der engelen losmaakten en nederdaalden in het lot der menschen.

God kan niets voegen bij het geluk dergenen, die elkander beminnen, dan het eeuwigdurendheid te geven. Na een leven van liefde, is een eeuwigheid van liefde zekerlijk een vermeerdering; maar ’t is, zelfs voor God, onmogelijk de innige kracht der onuitsprekelijke zaligheid, welke de liefde reeds in deze wereld aan de ziel geeft, te verhoogen. God is de volheid des hemels; de liefde is de volheid van den mensch.

Men aanschouwt een star om twee redenen, wijl zij licht geeft en wijl zij ondoorgrondelijk is. Men heeft in zijn nabijheid een liefelijker licht en grooter verborgenheid, de vrouw.

Wij allen, wie wij zijn mogen, hebben onze ademende wezens. Zoo zij ons ontbreken, ontbreekt ons lucht, en wij stikken. Dan sterft men. Door gebrek aan liefde te sterven is schrikkelijk. ’t Is de stikking der ziel!

Zoodra de liefde twee wezens in een engelachtige en heilige eenheid heeft samengesmolten en gemengd, is voor beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee eindpunten van hetzelfde lot; slechts de twee vleugels van denzelfden geest. Leeft en zweeft!

Zoo eenmaal een vrouw, die ons voorbijgaat, licht doet uitstralen, zijn wij verloren, wij beminnen. Er blijft ons dan alleen dit over: zoo sterk aan haar te denken, dat zij gedwongen wordt aan ons te denken.

Wat de liefde begint, kan slechts door God voltooid worden.[

De ware liefde is troosteloos of verrukt over een verloren handschoen of een gevonden zakdoek, en zij behoeft de eeuwigheid voor haar trouw en hoop. Zij bestaat tegelijkertijd uit het oneindige groote en het oneindige kleine.

Wees zeilsteen, zoo ge steen, kruidje roer-mij-niet, zoo ge bloem, liefde zoo ge mensch zijt.

Niets bevredigt de liefde. Men is gelukkig en men wil het paradijs; men heeft het paradijs en men wil den hemel.

O, gij die bemint, dit alles ligt in de liefde. Weet het slechts te vinden. De liefde bezit evenveel zelfgenot als de hemel, en bezit boven den hemel den wellust.

Komt zij nog in het Luxembourg? – Neen, mijnheer. – Zij komt in deze kerk de mis hooren, niet waar? – Zij komt er niet meer. – Woont zij nog altijd hier? – Zij is verhuisd. Waar woont zij nu? – Zij heeft het niet gezegd.

Welk een treurigheid, niet te weten waar zijn ziel te vinden!

De liefde heeft kinderachtigheden, de andere hartstochten hebben kleinigheden. Schande over de hartstochten, die den mensch klein maken! Eere die, welke van hem een kind maakt!

’t Is zonderling, weet ge wat? Ik ben in de duisternis. Er is een wezen, dat toen zij heenging, mijn hemel heeft medegenomen.

O! naast elkander hand in hand in hetzelfde graf te liggen, en nu en dan in de duisternis elkander zacht een vinger te streelen, zou voor mijn eeuwigheid voldoende zijn.

Gij die lijdt omdat gij bemint, bemin nog meer. Van liefde sterven is er van leven.

Bemin. Een schitterende hemelvaart is aan deze kruisiging verbonden. In den doodsstrijd ligt verrukking.

O vreugd der vogelen! Zij zingen, omdat zij een nest hebben.

De liefde is een hemelsche inademing der paradijslucht.

Diepe harten, wijze geesten, neemt het leven zooals God het geschapen heeft; ’t is een lange beproeving, een onbegrijpelijke voorbereiding tot een onbekende bestemming. Deze bestemming, de ware, begint voor den mensch bij de eerste trede in het graf. Dan verschijnt hem iets en hij begint het bepaalde te onderscheiden. Overweeg dit woord: het bepaalde. De levenden zien het oneindige, het onbepaalde; het bepaalde vertoont zich slechts aan de dooden. Bemint en lijdt, hoopt en aanschouwt inmiddels. Wee hem, die slechts lichamen, vormen, den schijn heeft bemind! De dood zal hem alles ontnemen. Tracht zielen te beminnen, ge zult ze wedervinden.

Ik heb op de straat een zeer arm jongeling ontmoet, die beminde. Zijn hoed was oud, zijn rok was versleten en met gaten aan de ellebogen, het water drong door zijn schoenen en de sterren drongen in zijn ziel.

Hoe groot is het bemind te worden! Maar grooter is het te beminnen. Het hart wordt door de liefde met heldenmoed vervuld. Het bestaat dan slechts uit reinheid, het steunt op niets dan op het verhevene en groote. Een schandelijke gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijsschol. De hooge en heldere ziel, ontoegankelijk voor de gemeene hartstochten en driften, en die de wolken en schaduwen dezer wereld, de dwaasheden, logens, den haat, de ijdelheden en ellenden beheerscht, bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot slechts als de top der bergen de aardbevingen voelt.

Zoo er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *